
Een van de figuren die het meest invloed had op de geboorte van taijiquan was wellicht Zhang San Feng. Hij wordt beschouwd als grondlegger van het hele taijiquan-systeem. Zijn vader was regeringsfunctionaris in het Noorden van China.
Zhang werd geboren op 9 april 1247 en groeide op met een kromme rug, grote oren en ogen, wat ze als tekenen van intelligentie beschouwden in het oude China. Hij studeerde de Chinese Klassieken vanaf zijn 12 jaar en leerde mediteren en gevechtskunsten en hij slaagde voor de examens voor regeringsfunctionaris. Maar na de dood van zijn ouders, verkocht hij al zijn bezittingen en trok samen met vrienden de bergen in voor wel dertig jaar. Zijn droom was één van de onsterfelijken te ontmoeten. In de gebergten zou hij aan een opleiding in Shaolin Chuan beginnen, wat wij vandaag zien als Kungfu.
In de 13de eeuw, toen Zhang begon te leren, had Shaolin Chuan al een ware evolutie doorgemaakt. Deze oefenset werd aangeleerd aan vele generaties in de Boeddhistische tempel Shaolin in het Shiao Si gebergte sinds de 3de eeuw. De Boeddhistische leer benadrukte echter enkel de ontwikkeling van de ziel, en verwaarloosde het lichaam. In de zesde eeuw zou Ta Mo, een Indische Kungfu-expert, er beginnen lesgeven.

(En ja, hij stak tijdens zijn reis de Yangzi-rivier inderdaad over op riet ! )
Hij stelde bij zijn aankomst vast dat de monniken zwak, lui en dik waren. Zij vielen in slaap tijdens de ceremonies en meditaties. Ta Mo legde daarom de nadruk op de ontwikkelen van een sterke geest als voorwaarde voor een sterke conditie en een gezond lichaam. Ta Mo eiste dat de monniken vroeg in de ochtend zouden beginnen oefenen. (come on!)
Ta Mo ontwikkelde vele oefensystemen die we vandaag nog altijd kennen, zoals de Ji Jin JIng (tendons & muscle changing exercises) en Xi Sui Jing (bonemarrow cleaning exercises) en Shadow Boxing. Samen met andere meesters werd de boxing set van 18 bewegingen uitgebreid tot 27 Chuans (handvormen). De monniken ontwikkelden in de volgende eeuwen de 5 schatten of Chuan die elk in een eigen dierenbeweging cultiveerde tot wel 100 bewegingen elk. Deze vijf chuans kan je vandaag nog terugvinden in vele nieuwere varianten van kungfu (of wushu):
- Draken Chuan – het trainen van aandacht en geest, met nadruk op lichtheid, stilte en verandering
- Tijger Chuan – met de nadruk op het op – en neer springen
- Luipaard Chuan – krachtoefeningen met nadruk op springen en vechten
- Slang Chuan: oefenen van de innerlijke ademhaling en het langer maken van het lichaam, sensitiviteit en activiteit ontwikkelen
- Kraanvogel Chuan – trainen van de concentratie, stabiliteit en onderscheidingsvermogen om tegenstanders te verslaan
In de dertien eeuw verbleef Zhang San Feng zo’n 10 jaar bij de monniken in Shaolin. Het was pas toen hij na zijn zestig verbleef dat hij, (1311) een van de onsterfelijken uit de bergen ontmoette. Hij leerde een aantal jaar bij deze taoïst en verhuisde toen opnieuw naar het Wudang-gebergte (1368), waar zijn familie reeds gestorven was en hij de enige overlevende. Hij viel er op en de keizer eiste dat hij terug in dienst kwam. Als truc deed hij alsof hij gek was. Hoewel velen van het keizerlijke Hof hem zouden ontmoeten, zou hij zich vooral specialiseren in het ‘onvindbaar zijn’ wanneer de opeenvolgende keizers soldaten uitstuurden om hem te zoeken. Volgens de legende werd hij geboren aan het einde van het Sung-dynastie, leefde het tijdens de Yuan Dynastie tot aan de periode van de Ming Dynastie. Keizer Chen Tzu liet een tempel voor Zhang San Feng bouwen en keizer Yiu Chung verleende hem de titel van onsterfelijke.
Maar wat was nu zo speciaal aan de onderrichtingen van Zhang San Feng?
Hij was degene die vanuit de filosofie van de Tai Chi Diagram, vanuit de I Ching (boek der Veranderingen) en vanuit de taoïstische ademhalingsoefeningen een aantal elementen zou toevoegen aan Shaolin zodat taijiquan zou geboren worden. Hij zag er in de gebergten waar hij woonde, dikwijls gevechten tussen dieren. Een van de beslissende momenten voor zijn eigen leerfasen was het lang gevecht tussen een kraanvogel en een slang. Terwijl de kraanvogel telkens zijn vleugels spreidde en zijn zachtheid gebruikte, kon de slang de aanvallen actief ontwijken terwijl hij oorspronkelijke vorm kon behouden. Het gevecht was helemaal niet stuntelig maar evenwichtig en gecontroleerd vanuit een natuurlijke aangeboren energie.

Zhang San Feng zou daarop een combinatie van oefeningen ontwerpen waarbij het doel van de bewegingen was om Chi (innerlijke energie) over te brengen op Shen (Geest – of denkkracht) en om eerder innerlijke kracht dan spierkracht te gebruiken. De nadruk van zijn technieken liggen op het ontwikkelen van Neijiao of Nei Gong, die nauw verwant is aan Qi Gong. Zhang ontwikkelde eveneens de White Crane en de Snake technieken.
Hij zou later de Wudang School oprichten, die meer de nadruk legde om de interne kungfu technieken, net zoals de taijiquan scholen. Zhang had zeven discipelen en veel mensen kwamen bij hem trainen. Generaties op generaties gaven de trainingen door (tot Chiang Fah de trainingen zou doorgeven aan de Chen familie !)
Zhang San Feng had vijf vreemde hobby’s om de avonden te verdrijven (wat doe je als je in bergen zit zonder tv?)
- Zwaard oefenen bij maanlicht – dat zou hem energie geven
- Taijiquan oefenen op donkere avonden – geeft vitaliteit
- Bergklimmen bij storm – vergroot de ademkracht
- De klassieken lezen bij regen – zuivert de geest
- Mediteren bij middernacht – verheldert de natuur
Er waren dus reeds verschillende taijiquan en kungfuvormen vóór de komst van Zhang San Feng. Maar Zhang was degene die aan de martiale oorsprong de ademhalingstechnieken en de I Ching Principes toevoegde om taijiquan te verbreden en voor alle mensen toegankelijk te maken. Door hem wordt taijiquan een methode voor de ontwikkeling van het lichaam, het bewustzijn en de geest.
Volgens de legende zou Zhang San Feng 212 jaar oud worden. (What are we waiting for, people?)

leuke weetjes, ben niet zeker of ik 200 jaar wil worden, alhoewel 🙏